Station: [7] Paard en oorlog


F: Al duizenden jaren voert de mens oorlog. Het paard is daarbij zijn trouwe begeleider. Sinds de domesticering, zo’n 5 eeuwen geleden, zijn paarden populair bij oorlogsvoerders.

M: Strijders te paard waren snel en mobiel en dat gaf hen overwicht op hun vijanden. Uitvindingen als de stijgbeugel zorgden dat de ruiter stabieler in het zadel zat en verbeterden de vechttechniek. In de late middeleeuwen, de hoogtijdagen van het ridderschap, droegen ruiters een zware wapenrusting en gebruikten ze lange en zware steeklansen. Er waren dus grote en sterke paarden nodig om de gepantserde ridders te kunnen dragen. 

F: Tot in de 20ste eeuw waren paarden vanzelfsprekend onderdeel van de oorlogsvoering. In de Eerste Wereldoorlog deden 1,5 miljoen paarden mee aan de strijd. In de Tweede Wereldoorlog waren het er  zelfs twee keer zo veel! De oorlogspaarden moesten aan een aantal eigenschappen voldoen: 

M: Ze moesten gehoorzaam zijn, snel en wendbaar. Ze moesten alle drie gangen beheersen, goed kunnen springen en in staat zijn om zware lasten te trekken. Bovendien mochten ze niet schrikachtig zijn bij straatrumoer en in de oorlogssituatie. Er werden rijscholen opgericht speciaal voor oorlogspaarden. Daar konden ruiters en hun paarden hun kwaliteiten bewijzen in speciale toernooien – het begin van de sporttoernooien zoals we die nu kennen. 

F: Natuurlijk hadden ook de paarden te lijden onder de oorlog. In de Eerste Wereldoorlog kreeg de medische behandeling van paarden een steeds professioneler karakter. Paarden waren immers belangrijk ‘oorlogsmaterieel’. Toen er grote aantallen paarden omkwamen, werden er op grote schaal paardenlazaretten ingericht. Aan het eind van de oorlog waren er zo’n 500 lazaretten waar in totaal 1,3 miljoen paarden werden verzorgd. 

M: De paarden leden aan uitputting, verwondingen en de gevolgen van gifgas. Op mobiele operatietafels werden hun wonden verpleegd en granaatsplinters verwijderd. De dierenartsen waren even goed uitgerust als collega-artsen met menselijke patiënten. 

F: Wat de Eerste Wereldoorlog ook met zich meebracht was het gebruik van chemische wapens. Gifgas was een gruwelijk en vooral ook amper te controleren wapen. De wind blies het giftige gas alle kanten op, zodat het niet alleen de vijand bereikte maar ook de eigen soldaten. Het gifgas bracht schade toe aan slijmvliezen en keelholte, tastte de huid aan. Mens en dier moesten beschermende kleding en gasmaskers dragen. De dierenartsen ontwikkelden nieuwe behandelingsmethoden. 

M: Zo werden er houten EHBO-kisten voor dieren ontwikkeld, ‘Tierluftschutzkasten 39’. De kist bevatte allerhande materialen om paarden te ontgiften en hun beschadigde huid te behandelen. Gelukkig werden er in de Tweede Oorlog geen chemische wapens meer gebruikt. 

 

 

© Archäologisches Museum der Westf. Wilhelms-Universität Münster

© Museumslandschaft Hessen-Kassel

© Westfälisches Pferdemuseum Münster

© Claus Richter: Tiere im chemische Krieg, 1939