Station: [3] De legende


De rotskerk. En de vraag die velen hierheen brengt: waarom bestaat deze kerk eigenlijk?

Het antwoord, dat hier al generaties lang wordt doorgegeven, begint hoog boven op de burcht Bosselstein. We reizen terug naar het jaar 1170. Daar woonden twee broers: Wyrich en Emich. Beiden jong. Beiden trotse ridders. En beiden verliefd op dezelfde vrouw, de mooie Bertha von Lichtenburg.

Wyrich, de oudste, wiens naam ‘de strijder’ betekent, komt erachter dat Bertha haar hart in het geheim aan zijn jongere broer heeft geschonken.

„Je hebt me alles afgenomen, Emich.“ „Ik niet
, broer. Het hart beslist zelf.“

Jaloezie verandert in woede. Woede verandert in geweld. De legende vertelt dat Wyrich zijn broer tijdens een ruzie vastgreep en hem uit het raam van de burcht stortte. De diepte in. Op de rotsen. Precies daar waar u nu zit.

Nauwelijks is de daad gepleegd, of de woede maakt plaats voor afschuw. Wyrich zoekt raad bij een abt.

„Is er verzoening mogelijk voor deze zonde?“ „Slechts
één, en die is zwaar. Beitel met je eigen handen een kerk uit de rots, op de plek waar je broer stierf.“

Zo wordt verteld dat Wyrich jarenlang in de rots heeft gehouwen. En toen het werk voltooid was, gebeurde het teken waarop hij nauwelijks had durven hopen: in het binnenste van de rots ontsprong een bron. Voor Wyrich was dat de zekerheid dat God hem had vergeven. Kort daarna stierf hij. Zo eindigt de legende.

En wat is hiervan waar?

Hier worden de kronieken nuchterder. De namen Wirich en Emich kwamen in het geslacht Oberstein inderdaad generaties lang voor. Maar noch een broedermoord, noch een Bertha von Lichtenburg zijn in de bronnen te vinden. Het enige dat vaststaat, is dat rond het jaar 1328 een Wirich von Daun door een familielid werd gedood. Echter niet uit passie, maar vanwege een erfenis. En niet op dramatische wijze bij de rots, maar ’s nachts in bed, doodgeslagen door een neef.

Historisch vaststaat iets anders. Op 23 augustus 1482 willigde paus Sixtus IV het verzoek van graaf Wirich in. De oude kerk voor de poorten van het dorp moest worden opgegeven en er moest een nieuwe binnen de bebouwde kom worden gebouwd. Slechts zeventien maanden later, op 18 januari 1484, was de kerk in de rots voltooid.

Opdrachtgever was Wirich de Vierde van Daun-Oberstein. Dit verbazingwekkende tempo was alleen mogelijk omdat de nis in de berg al lang bestond. Hier stond al rond 1075 een grotkasteel. De overblijfselen daarvan werden in de kerkbouw verwerkt. Niemand hoefde deze grot met bloed, zweet en tranen uit de rots te hakken. Het was eerder een verbouwing dan een nieuwbouw.

Er is hier zelfs een afbeelding van Wirich zelf te zien. In de kleine ramen zijn fragmenten van de oorspronkelijke beglazing bewaard gebleven. Op één daarvan is de bouwer te zien, knielend met zijn handen gevouwen tot gebed, met daarnaast zijn naam en het jaartal 1482. Een ander fragment toont het wapen van de graven van Leiningen: drie zilveren adelaars op een blauwe achtergrond, het geslacht van zijn vrouw Margarete.

Ook deze ruiten hebben hun eigen geschiedenis. Ze braken bij rotsval, werden rond 1890 uit de kerk verwijderd en in 1929 door de gemeente teruggekocht.

En toch blijft de legende bestaan. Misschien omdat een plek als deze meer vraagt dan alleen een bouwgeschiedenis. Sommige plekken zijn gewoonweg te bijzonder voor een gewone verklaring.