Station: [4] De bron, het gezicht en het uitzicht


De bron in de rotskerk. En de legende over schuld, hartstocht en vergeving.

Herinnert u zich het einde van de legende nog? Wyrich heeft zijn boetedoening volbracht. Dan ontspringt er een bron uit de rots. Een teken van vergeving.

Je zou het je bijna als een gesprek kunnen voorstellen.

„Is dat slechts een mooi verhaal?“ 
„Nee. De bron bestaat echt.“

Precies hier stroomt al eeuwenlang water rechtstreeks uit de berg. Midden in een kerk. Hoog boven de stad. En deze bron is geen pronkstuk. Ze voert tot op de dag van vandaag water.

Tijdens de grote renovatie van 1929 is de bron afgetapt. Sindsdien stroomt het water op een geordende manier onder de kerk weg. Dat er water door deze rots stroomt, wisten de mensen hier al lang. Ze zagen de vochtige muren in het schip van de kerk. Het bijzondere is dus niet het water in de berg. Het bijzondere is deze plek. Hier komt het gebundeld en helder aan de dag. Een echte bron midden in de rots.

Voor de bewoners van het oude grotkasteel was dat van onschatbare waarde. Een eigen watervoorziening in de berg. Veilig voor elke belegeraar. Het is heel goed mogelijk dat juist deze bron een van de redenen was waarom hier überhaupt gebouwd werd. Eerst de burcht. Daarna de kerk. De legende heeft er het mooiste van gemaakt wat je van een bron kunt maken: een teken van genade.

Als u nu door het achterste deel van de kerk loopt, is het de moeite waard om even omhoog te kijken naar de westelijke zijbeuk. Daar, onder de aanzet van het gewelf, kijkt een klein beschilderd hoofdje op u neer. Het stamt uit de bouwtijd van de kerk. Men vermoedt dat het een zelfportret van de bouwmeester is. Zijn naam is in de vergetelheid geraakt. Maar zijn gezicht kijkt al meer dan 500 jaar neer op de mensen die zich verwonderen over zijn werk. Een mooiere handtekening is nauwelijks voorstelbaar.

Uit dezelfde tijd stamt ook het kleine ruitvormige wapen van de heren van Daun. Het is bewaard gebleven aan de voet van een gewelfrib in het middenschip. Zo is de familie van de opdrachtgevers nog steeds in steen te zien.

Aan de zuidzijde van de kerk hangt een schilderij dat van bijzonder belang is voor de geschiedenis van deze stad: het Sebastiaanschilderij. Het is tweeënhalve meter hoog, geschilderd met harsolieverf op sparrenhout en waarschijnlijk rond 1570 in de renaissance ontstaan. Het bestaat uit meerdere panelen. Bovenaan ziet u de verrijzenis van Christus en zijn transfiguratie op de berg. Daaronder volgt het eigenlijke familieportret. Links staat graaf Sebastian von Daun-Oberstein in een prachtige wapenrusting met zijn drie zonen. Rechts graafin Elisabeth met haar twee dochters. Ze hebben allemaal hun handen gevouwen tot gebed.

Let vooral op de oudste zoon, Philipp Franz. U herkent hem aan de drievoudige gouden halsketting. Hij ligt begraven voor het altaar van deze kerk. En hij heeft de toekomst van de stad bepaald. In 1609 vaardigde hij het eerste gildereglement voor de agaatslijpers uit. Al in 1603 stelde hij gratis een bouwterrein ter beschikking voor een slijpmolen. Dat was waarschijnlijk niet geheel onbaatzuchtig. Maar het werkte. Een deel van het latere belang van Idar-Oberstein als edelsteenstad werd door hem in gang gezet.

Zo komen hier legende en werkelijkheid op een zeer kleine ruimte samen. Een bron in de rots. Een gezicht uit de bouwperiode. Een familiefoto met gevolgen voor de stad. En uiteindelijk blijft deze plek zelf het sterkste teken: verbazingwekkend, stil en tot op de dag van vandaag doordrongen van een bijzondere aanwezigheid.