Station: [5] Geode


Op deze plek bekijken we een grote geode. Hij ziet eruit als een prehistorisch versteend struisvogelei.
Zo zien alle edelstenen eruit zolang ze zich in het moedergesteente bevinden.

De kunst van de agaatzoekers was om zo'n geode uit de berg te halen of eruit te slaan zonder deze te vernielen. Anders was maandenlang, moeizaam werk volledig voor niets geweest.

Als men zo'n geode had gevonden, wist men in eerste instantie niet welke edelsteen erin zat. Deze moest dus eerst worden opengebroken.
Aan de hand van het gewicht kon men echter inschatten of het om een druse of een amandel ging.
Als de geode relatief licht was, had men hoogstwaarschijnlijk een druse gevonden. Een amandel is daarentegen veel zwaarder.

Zoals reeds vermeld, zocht men voornamelijk naar amandelen van agaat of naar gesteente uit jaspisaders. Deze werden vervolgens naar de waterslijpers in de omgeving gebracht, bijvoorbeeld naar de historische vijverslijperij. 
Daar konden de edelstenen op grote zandstenen wielen worden geslepen. Vervolgens
werden er sieraden, vaten of ook kerkelijke gebruiksvoorwerpen zoals doopvonts van gemaakt.
Pas door dit moeilijke en ook krachtverslindende slijpwerk kregen de edelstenen hun uiteindelijke waarde.  

De bergkristal-, amethist- en ook rookkwartsdruiven werden gewoon weggegooid, omdat ze met de toen beschikbare gereedschappen niet konden worden bewerkt.
De bewerking van deze steensoorten was pas rond 1875 tot 1880 mogelijk, nadat Boheemse granaatslijpers de kunst van het facetslijpen naar Idar hadden gebracht.  

In de historische vijver in Idar-Oberstein kan men dit ook heel mooi bekijken.